Lantaarnpalen, hoe en waar te plaatsen?

Lantaarnpalen kan je niet overal plaatsen. Een lantaarnpaal neerzetten in een vogelbroedgebied is uit den boze. Ook in de stad moet je oppassen waar je een paal plaatst. Daar slapen mensen en die willen ‘s nachts niet gehinderd worden door naar binnen schijnende straatverlichting.


En wat dacht je van de omgeving? Zou je een lantaarnpaal direct in de buurt van een boom situeren, terwijl aan de overzijde van de weg ruimte te over is? In zo’n geval kan je beter de paal aan de overkant neerzetten zodat hij geen last ondervindt van de boom. Bovendien bespaar je veel energie als je ervoor zorgt dat het licht niet door een boom of een ander obstakel wordt onderbroken en daardoor de straat amper kan bereiken.


Bij het plaatsen van een lantaarnpaal zijn de volgende vuistregels van toepassing:

lichtpunthoogte

4 meter

6 meter

8 meter

10 meter

mastafstand

20-25 meter

20-25 meter

32 meter

35 meter

Minimale afstand eerste boom

4-8 meter

4-8 meter

6-8 meter

8 meter

De afstand van de mast tot de boom mag in mijn ogen best wel wat hoger zijn, een boom zal toch blijven groeien zowel in de hoogte als in de breedte. Liever zie ik helemaal geen bomen in de buurt van lantaarnpalen. Ook vanwege het feit dat bij storm de boom fikse zwiepers kan uitdelen aan de armatuur, waardoor de kap open kan springen en op de rijbaan terecht kan komen, met alle mogelijke gevaren vandien.


Lantaarnpaal te dicht bij boom geplaatst

Blad verhindert lichtafgifte

Lantaarnpalen mogen niet te dicht bij elkaar staan. Weliswaar verhoogt dit het gevoel van veiligheid enigszins, maar er zijn onnodig hoge energiekosten mee gemoeid. Lantaarnpalen mogen ook niet te ver van elkaar worden geplaatst, want dan ontstaat een vlekkerig lichtpatroon en is het verlichtingsniveau veel te laag.


Lantaarnpalen op juiste afstand t.o.v. elkaar geplaatst - gelijkmatige lichtverdeling


Lantaarnpalen te ver uit elkaar geplaatst - ongelijkmatige lichtverdeling


Lantaarnpalen staan normaal gesproken in vier types opstellingen:

1 Enkelzijdige opstelling: lantaarnpalen staan in een rij aan één zijde van de weg. Deze opstelling kan alleen worden toegepast als het te verlichten wegoppervlak niet te breed is.

2 Zig zag opstelling: lantaarnpalen staan aan weerszijden van de weg opgesteld, maar nu niet lijnrecht tegenover elkaar maar in een zig zag positie. Met deze positie behaal je de mooiste verlichtingsresultaten.

3 Centrale opstelling: lantaarnpalen staan in een rij in de middenberm. Meestal met twee uithouders. Of er staat één lantaarnpaal in het midden van de rotonde. Dit is ook een centrale mast.

4 Portaal opstelling: lantaarnpalen staan aan bijde zijden van de weg en lijnrecht tegenover elkaar. Ik raad deze opstelling af bij een te smalle weg omdat je zo gemakkelijk teveel licht krijgt en het verkeersbeeld onrustig wordt door een wirwar aan masten. Deze opstelling kan alleen worden toegepast bij vier of meer rijstroken.


Natuurlijk zijn er ook combinaties mogelijk van deze vier varianten. Bij een kruispunt wordt bijvoorbeeld vaak de centrale opstelling toegepast in combinatie met de zigzag- en portaalopstelling. In dit geval verlicht één uithouder van een centrale mast de weg die van het kruispunt weg loopt en de armatuur op de andere uithouder verlicht de voorsorteervakken terwijl er aan de overzijde enkele lantaarnpalen staan om die voorsorteervakken weer goed uit te lichten.

Oriëntatieverlichting

Niet overal heb je goede verlichting nodig. Buiten de bebouwde kom, b.v. op kleine landweggetjes is het niet strikt noodzakelijk om alles goed te verlichten. Bovendien zou de landelijke sfeer erdoor aangetast kunnen worden. Maar het is uiteraard wél noodzakelijk om de (drukke) verkeerspunten goed uit te lichten en de weggebruiker erop te attenderen dat er wat komen gaat. Dit kan zijn een bocht of een kruispunt of misschien wel een bushalte. In zulke gevallen wordt er meestal voor gekozen om daar één paal te plaatsen om extra aandacht te genereren. Als de verkeersintensiteit erom vraagt kan dit aantal uitgebreid worden met twee of drie masten.

Bochtopstelling

In de bocht van de weg wordt meestal een buitenbochtse opstelling gehanteerd. Dit heeft een beter verlichtingsresultaat tot gevolg. Mensen hebben vaak de neiging naar het licht toe te rijden. Als de lantaarnpalen in de binnenbocht zouden staan is de kans wat groter dat het verkeer de vluchtstrook onbedoeld meepakt. En je moet er niet aan denken als daar toevallig een auto met pech staat. Een nadeel van deze positie is dat de lantaarnpalen aanrijgevoeliger staan opgesteld. Als een automobilist(e) de bocht verkeerd inschat en er te snel ingaat, kan de auto uit de bocht vliegen. De kans is dan groot dat een of meer lantaarnpalen in de slippartij worden aangereden.

Naar boven